In 1864 schreef hij, 27 jaar oud, voor zijn toneelclub een opera in het Roermonds plat, Schinderhannes. Later zou hij serieuze literaire verhalen gaan schrijven. Maar de Schinderhannes, een in elkaar geflanst verhaal zonder veel pretenties, werd zijn bekendste en populairste werk.
Het stuk werd uitgevoerd van Assen tot Amsterdam en Antwerpen en zelfs op vijf plaatsen in Nederlands-Indië. Er verschenen bewerkingen in het Nederlands en verschillende andere dialecten. Een katholiek priester werkte het stuk om voor het patronaatstoneel: een krom verhaal zonder liefdesgeschiedenis met alleen mannenrollen. In Roermond ontstond na een tijdje de traditie om het stuk eens in de zeven jaar uit te voeren. Hele families waren erbij betrokken: als solist, als ‘volk’, als muzikant en/of achter de schermen.
De opera is opgehangen aan een beruchte Duitse roverhoofdman bijgenaamd Schinderhannes die rond 1800 leefde, maar het verhaal heeft geen enkel verband met de historische feiten. Het is eerder een luchtige versie van de legende van de middeleeuwse professor Faust, die in ruil voor kennis zijn ziel zou hebben verkocht aan de duivel. Ook Schinderhannes verkoopt zijn ziel aan de duivel, in ruil voor rijkdom en succes in de liefde.